Print deze pagina

Geleiding

Elke stof is opgebouwd uit atomen. Sommige stoffen uit meer soorten (bv keukenzout: NaCl oftewel NatriumChloride) en andere uit één enkele soort (bijvoorbeeld ijzer: Fe). De atoomkernen bestaan uit een verzameling van neutronen en protonen. Om deze kernen draaien electronen.

Protonen en electronen blijken een bijzondere eigenschap te hebben: ze hebben een elektrische lading. De lading van een proton en die van een electron zijn tegengesteld. Dat wil zeggen: neem ze samen en ze heffen elkaar op. Daarom heeft men de ladingen "positief" en "negatief" genoemd. Ergens in de historie is ervoor gekozen om de lading van een electron negatief te noemen en de lading van een proton positief (dat had net zo goed andersom gekund - het had voor de hele verdere wetenschap niets uitgemaakt).

De electronen draaien om de kernen. Bij sommige stoffen springt een electron makkelijk van de ene kern naar de andere. Het kan dus goed zijn dat op zeker moment de ene kern twee electronen heeft en de buurman geen één. Dat maakt niet uit zolang het totaal maar (ongeveer) klopt.

Dit zie je hiernaast. De kernen zijn netjes gerangschikt, maar de electronen bevinden zich in een baan om de kernen waarbij ze makkelijk overspringen van de ene baan naar de andere.

Door van baan naar baan te verspringen zorgen de electronen ervoor dat er lading verplaatst. Dat gebeurt als er op de ene plaats van een geleider een overschot aan electronen is, en/of op de andere plaats een tekort.

Vergelijk het met twee watervaten die verbonden zijn met elkaar. Als het ene vat voller is dan het andere, dan zal er water van het vollere vat stromen naar het minder volle, totdat de waterniveaus gelijk zijn.

 

 


Previous page: Basis
Volgende pagina: Lading